Eeuwenoude spelletjes

Eeuwenoude spelletjes

Omdat er op school al lang genoeg wordt stilgezeten, wordt de pauze dikwijls aangegrepen om tal van spelletjes te spelen. Sommige spelletjes zijn vrij recent, terwijl anderen al eeuwen worden gespeeld, in alle mogelijke vormen en variaties. Van een aantal spelletjes weten we bijvoorbeeld dat ze al in het oude Egypte werden gespeeld en dankzij het schilderij Kinderspelen (1560) van Pieter Bruegel de Oude hebben we een vrij goed zicht op de spelletjes die kinderen hier in de middeleeuwen speelden. Hieronder geven we een aantal voorbeelden van ‘eeuwenoude’ spelletjes.

Bikkelen

Bikkelen is een spel waarbij bikkels werden opgegooid en opgevangen. Er bestaan verschillende manieren waarop kan worden gebikkeld, maar bij elke manier is vooral coördinatie belangrijk. Een van de mogelijke manieren is dat de bikkels opgegooid en opgevangen worden op de rug van de hand. Vervolgens wordt hetzelfde gedaan maar dan met de handpalm.

Bikkelen was ontzettend populair in het oude Griekenland. Heel wat auteurs uit die tijd beschrijven hoe kinderen van op heel jonge leeftijd al met bikkels speelden en soms urenlang hun vaardigheden trainden. Ook op oude vazen uit die tijd is vaak te zien hoe mensen met de bikkels werpen. Die bikkels waren meestal de kleine botjes van het enkelgewricht van kleine hoefdieren maar werden soms ook al uit klei gemaakt. In Griekenland heette de bikkel een astralagos en wanneer het land onder gezag kwam van de Romeinen in 146 voor Christus, doopten de Romeinen de astralagos om tot talus. Meisjes speelden het vooral als een behendigheidsspel, terwijl jongen de bikkels meer zagen als een kansspel, waarbij de bikkels dienden als een soort van dobbelstenen. Meer dan zestien eeuwen later en duizenden kilometers verder vinden we het bikkelen terug in onze contreien op het schilderij van Bruegel. Ook uit prenten uit de negentiende eeuw blijkt dat het spel hier toen nog vaak werd gespeeld en er zijn dan ook heel wat bikkels uit die tijd bewaard. Vandaag de dag kennen kinderen het bikkelspel iets minder, al duikt het hier en daar nog op de speelplaats op. De bikkels zijn wel niet meer van bot gemaakt, maar uit plastic of ijzer. Ook bestaan er grote regionale verschillen. Zo spelen Nederlandse kinderen doorgaans met vier bikkels en een bal, terwijl kinderen uit België, Frankrijk en de Verenigde Staten meestal met vijf bikkels spelen. 

Jojoën 

Iedereen heeft wel al eens met een jojo gespeeld en ook vandaag de dag wordt er nog steeds gejojood. Een jojo bestaat uit twee schijfjes die met elkaar zijn verbonden. Rond het midden is een touw gewikkeld dat aan het uiteinde een lusje heeft dat je over je vinger kunt schuiven. De bedoeling is de jojo zo lang mogelijk te laten af- en oprollen. Vroeger waren jojo’s behoorlijk sober, tegenwoordig bestaan er zelfs jojo’s die lawaai maken of die licht geven.

De jojo is net als bikkelen een eeuwenoud spel, al bestaat er wat onduidelijkheid over het exact aantal eeuwen dat de jojo al zou bestaan. Volgens sommige bronnen speelden Chinese kinderen zo’n 3000 jaar geleden al met een gelijkaardig stuk speelgoed. In Griekenland zijn jojo’s gevonden van ongeveer 2500 jaar oud en werd een vaas opgegraven waarop een jongen te zien is die met een jojo speelt. De jojo’s uit die tijd bestonden uit twee terracotta schijfjes. Ook op de Filippijnen zijn sporen gevonden van de jojo, al werd die voor een volledig ander doel gemaakt. Naar verluidt zouden Filippijnse jagers 500 jaar geleden houten jojo’s gebruikt hebben om te jagen.

Maar de jojo zoals we die vandaag kennen, dateert van rond de tweede helft van de 19de eeuw wanneer twee Amerikanen een patent nemen op de ‘whirligig’, wat later bekend zou worden als de jojo. Ongeveer gelijktijdig verspreidde de jojo zich ook in Europa, onder de naam bandalore. Die jojo was door handelaren meegebracht uit China langs de zijderoute en later ook langs de internationale handel overzee. Het duurde echter tot de jaren twintig van de vorige eeuw vooraleer de jojo een echte rage werd in Amerika en later ook in Europa. Een immigrant uit de Filippijnen vatte toen immers het idee op om een fabriek op te richten die het stuk speelgoed zou fabriceren onder de naam ‘yoyo’, wat in het Filippijns zoveel betekent als ‘kom-kom’. De fabriek zag in 1928 het levenslicht in Californië en kon aanvankelijk op weinig vertrouwen rekenen op de zakenmarkt. Tegen november 1928 had Pedro Flores echter 2000 jojo’s verkocht. Vier maanden later waren dat er al 100 000. Pedro Flores nam in 1930 een patent op de naam ‘yoyo’ en verkocht niet veel later zijn fabrieken voor een klein fortuin aan Donald F. Duncan. De jojo bleef razend populair. Zo populair zelfs dat vele andere fabrieken na de oorlog ook jojo’s begonnen te vervaardigen. Toen Duncan zich daar tijdens de jaren 1960 tegen verzette omdat de naam yoyo beschermd zou zijn, kreeg hij ongelijk van de rechter. Die oordeelde dat de naam jojo een zodanig algemene term was geworden dat iedereen hem mocht gebruiken. Vandaag de dag jongleren kinderen nog steeds met jojo’s, die in alle maten, vormen en kleuren te verkrijgen zijn. 

Hoepelen

Hoepelen zou reeds sinds de Klassieke Oudheid worden gedaan. Om te kunnen hoepelen heb je een hoepel of hoelahoep nodig. Een hoelahoep is een houten of een plastic cirkel die je ofwel over de grond kunt laten rollen ofwel om je middel kunt laten draaien.

Sinds de Oudheid wordt in heel wat culturen over heel de wereld met de hoepel gespeeld. In het oude Griekenland werden die gemaakt uit brons, ijzer of koper en werden ze met een stok voortgerold. De Romeinen namen de idee van hoepelen over, maar vonden eigen spelregels uit: de speler moest erin slagen een stok of speer door een rollende hoepel te werpen. Ook de Indianen in Noord-Amerika en sommige Afrikaanse stammen oefenden op een gelijkaardige manier hun behendigheid.

Uit rapporten van missionarissen van de 19de eeuw blijkt dat ook in landen zoals China, Tanganyika en Sierra Leone lustig met hoepels werd gespeeld. Dichter bij huis werd de hoepel populair in Engeland rond de 15de eeuw en vinden we op het schilderij van Pieter Bruegel de oude (1560) kinderen terug die een hoepel voortrollen met een stok. Tegen de 18de eeuw werd hoepelen zelfs zodanig populair in Engeland dat hoepelende kinderen als een overlast werden gezien. De politie nam een tijdlang de ijzeren hoepels van de kinderen in beslag wanneer die op straat speelden, maar zonder veel succes. Hoepelen was een echte rage en daar kon geen politiemacht tegenop. Tijdens de 19de eeuw werden naast ijzer ook heel wat hoepels gemaakt uit gebogen hout.

Tijdens de jaren 1950 veranderde het gebruik van een hoepel drastisch door de introductie van een plastieken hoepel, die de uitvinders hoelahoop noemden. De hoelahoop moet in tegenstelling tot de ijzeren of houten hoepels niet voortgerold worden, maar zo lang mogelijk rond het lichaam gedraaid worden. De hoelahoep werd een razend succes en de firma Wham-O verkocht op vier maanden tijd meer dan 25 miljoen hoepels. Vandaag de dag is dit de meest gebruikelijke vorm geworden van het hoepelen en is het voortrollen over de grond grotendeels verdwenen. Het rollen van een hoepel gebeurde vooral vroeger. De hoepel werd dan in beweging gehouden door middel van een stok. Sinds kort zwieren ook veel volwassenen een hoelahoop rond hun middel, omdat dat goed zou zijn voor de buikspieren.

Bellen blazen

Dankzij een mengsel van water en zeep en een bellenblaasvorm kan iedereen bellen blazen. Een bellenblaasvorm kan zelf gemaakt worden met bijvoorbeeld ijzerdraad, maar bijvoorbeeld ook een tennisraket kan dienen als bellenblaasvorm. Het meest gekend zijn de kant-en-klare pulletjes waarin zowel een sopje zit als een plastic stokje met daarop een cirkel. De bellenblaasvorm wordt in het sopje gehouden en wanneer er een soort van vliesje in de vorm zit, kan er voorzichtig op geblazen worden. Op die manier kunnen er grote bellen, kleine bellen, veel of weinig bellen worden geblazen. De zeepbel zweeft door de lucht, is elastisch en heeft de kleuren van een regenboog. Tegenwoordig bestaan er zelfs al bellenblaaspistolen.

Op het schilderij Kinderspelen (1560) van Bruegel zijn al kinderen te zien die bellen blazen, net als op vele schilderijen van Vlaamse kunstenaars uit de 16de en de 17de eeuw (zoals Hendrik Goltrius, Frans van Mieris en Cornelis Ketel). We kunnen dus met zekerheid zeggen dat kinderen al meer dan vierhonderd jaar op één of andere manier bellen blazen. Vroeger gebeurde dat meestal aan de hand van een pijpje uit klei, maar dat is inmiddels in onbruik geraakt. Vanaf het begin van de 20ste eeuw duiken er af en toe pijpjes in bakeliet op. Later werd dat vervangen door plastiek. Tegenwoordig blazen kinderen niet meer met een pijpje, maar met een plastieken stokje waarop een cirkel is bevestigd. In de jaren veertig introduceerde de Amerikaanse firma Chemtoy voor het eerst voorgemaakte bellenblaasvloeistof, wat immens populair werd en gebleven is tot op de dag van vandaag.

Hinkelen

Vooraleer er kan worden gehinkeld, moet er eerst een hinkelbaan met krijt op de grond worden getekend. Een hinkelbaan bestaat uit genummerde vakjes en kan verschillende vormen aannemen. Wanneer de hinkelbaan klaar is, kan het hinkelen beginnen. Er wordt een houten blokje, een steek of een ander voorwerp op het eerste vakje gegooid. Het is de bedoeling om op één been op alle vakjes te springen, behalve op het vakje waarop het voorwerp ligt. Vervolgens wordt het voorwerp op het tweede vakje gegooid, enzovoort.

Hinkelen zou reeds sinds de Klassieke Oudheid worden gedaan. Op een Romeins plein werd bijvoorbeeld een hinkelbaan teruggevonden van wel dertig meter lang en er wordt gesuggereerd dat soldaten hinkelbanen gebruikten om beter te kunnen trainen. Het is niet onwaarschijnlijk dat kinderen de soldaten imiteerden door kleinere hinkelbanen te tekenen, al zijn voor dat laatste weinig harde bewijzen te vinden. Doorheen de middeleeuwen bleef het hinkelen razend populair, maar dan vooral bij kinderen. Het spel wordt nog steeds op één of andere manier gespeeld door kinderen over heel de wereld. In Frankrijk bijvoorbeeld heet het spel marelles, In Duitsland spreken ze van Tempelhüpfen, in Engeland wordt het spel hopscotch genoemd en in Japan spelen ze ishikeri.

Knikkeren

Knikkers of marbels zijn kleine of grotere balletjes bestaande uit hout, klei, steen, metaal of glas. Wanneer er wordt geknikkerd, zit er doorgaans één iemand neer met een mooie of grote knikker voor zich. Zo’n grote knikker wordt ook wel een ‘bolleket’ genoemd. Wie de knikker graag wil, moet hem met zijn of haar eigen - en meestal minder mooie - knikkers proberen raken. Wie als eerste de knikker raakt, wint de knikker en kan de nieuwe knikker in zijn of haar knikkerzak steken.

Knikkers behoren tot het oudste speelgoed ter wereld. In het British Museum bijvoorbeeld, kan je knikkers bewonderen uit Kreta die dateren van 2000 voor Christus. Eén van de manieren waarop de Grieken met knikkers speelden was bijvoorbeeld door een cirkel te tekenen op de grond en daar zoveel mogelijk knikkers in te laten rollen. Ook op een prent van Bruegel (De Kermis van Hoboken) spelen kinderen een gelijkaardig spel, al gebruiken ze noten in plaats van de kleien knikkers die in die tijd kalkers of kalkedotters werden genoemd. De kinderen hebben een cirkel getekend waarin één knikker ligt. Waarschijnlijk gingen de spelregels als volgt: ieder kind mocht vanaf de meet één knikker binnen de cirkel schieten. De knikkers die ze uit de cirkel schoten mochten ze houden.

Eind negentiende eeuw industrialiseerde de productie van keramische knikkers die aan een goedkope prijs massaal werden verspreid. Ongeveer gelijktijdig komen er ook machinaal geproduceerde glazen knikkers op de markt, al breken die pas echt door tijdens de jaren 1950. De glazen knikkers zijn nog steeds de meest gebruikelijke, al zijn er nu zelfs ook plastieken knikkers verkrijgbaar.

Blindemannetje

Bij het spelen van blindemannetje wordt één kind geblinddoekt. Soms wordt het op die manier gespeeld dat het geblinddoekte kind iets of iemand moet zoeken, soms wordt het op die manier gespeeld dat het geblinddoekte kind moet raden wie er zich voor hem of haar bevindt. Vroeger was er nog een populaire variant: de geblinddoekte moest proberen iemand van de medespelers te grijpen, terwijl de anderen hem mochten duwen en plagen.

Dankzij de werken van Plato weten we dat Griekse kinderen in de Oudheid al een vorm van blindemannetje speelden, een spel dat eeuwenlang populair zou blijven. Ook op het schilderij Kinderspelen van Bruegel vinden we het terug, en ook op een gravure bij het gedicht Kinder-spel van de beroemde Nederlandse dichter Jacob Cats uit de 17de eeuw. Aanvankelijk speelden zelfs volwassenen blindemannetje, maar dat gebruik verdween eind 18de eeuw. Het spelen van blindemannetje is sindsdien voornamelijk een kinderactiviteit geworden, dat zowel bij Europese, als bij Arabische en Oostaziatische volkeren voorkomt.

Tollen

Er bestaan verschillende soorten tollen: zo bestaat er een priktollen, zweeftollen en bromtollen. De meest gekende tol is de priktol. De priktol wordt in beweging gebracht door de punt tussen de vingers rond te draaien of door een touw rond de tol te wikkelen en dat touw snel los te trekken. Het is de bedoeling dat de tol zo lang mogelijk blijft ronddraaien. Soms wordt geprobeerd de tol in beweging te houden door er tegen te slaan als hij dreigt stil te vallen. Om het spel spannender te maken, kan een cirkel op de grond worden getekend met krijt. De cirkel wordt dan verdeeld en elk deel krijgt een nummer. Als de tol bijvoorbeeld stilvalt in het vakje met het cijfer tien, dan heeft de persoon tien punten.

Tollen werd reeds in de Klassieke Oudheid gedaan. De oude Grieken en Romeinen speelden met een zweeptol, waarbij het de bedoeling was om met een zweep de tol zo lang mogelijk in beweging te houden. In de middeleeuwen is de tol zelfs het meest vermelde speelgoed in de Nederlandse literatuur en heel wat schilderijen uit die tijd tonen kinderen die spelen met een tol. Op het schilderij van Bruegel zijn zowel prik- als zweeptollen te zien. In de jaren 1920 waren de houten priktollen bij ons een rage. Intussen heeft de top een ware transformatie ondergaan en zorgt ze ook nu nog voor echte hypes onder kinderen. Zo zijn Beyblades internationaal een hit. Beyblades werden voor het eerst in 2000 op de markt gebracht en zijn geïnspireerd op de Beyblade animatiereeks die wereldwijd wordt uitgezonden. Deze tollen worden al spinnend in een arena gelanceerd, waarna de andere speler moet proberen de tol van de tegenstander tot stilstand te brengen of uit de arena te laten vliegen.

LITERATUUR

Augustyn, F.J., Dictionary of toys and games in American popular culture, Routledge, Londen, 2004.

Drost, J., Het Nederlandsch kinderspel vóór de zeventiende eeuw, Nijhof, ’s-Gravenhage, 1914.

Frost, J.L., A history of children's play and play environments: toward a contemporary child-saving movement, Taylor & Francis, Londen, 2010.

Hirahara, N., Distinguished Asian American business leaders, Greenwood Publishing Group, Westport, 2003.

Janneke Van der Veer, ‘Knikkers & kauwgomballen. Over kindercultuur’, Het Alledaagse leven, tradities & trends in Nederland (2009), nr. 17, p.523-550.

Newman, P., Daily life in the Middle Ages, McFarland, Jefferson, 2001.

Sobey, E. en Sobey, W., The way toys work: the science behind the magic 8 ball, etch a sketch, boomerang, and more, Chicago Review Press, Chicago, 2008.

Winston R., Boer, G. e.a., ‘Traditionele spelletjes’, in: Mensen, ANWB Media - Boeken & Gidsen, Den Haag, 2005, p. 198.