Christelijke geboorterituelen

Christelijke geboorterituelen

Het is eigen aan mensen om bij speciale gelegenheden naar blijvende herinneringen te zoeken. Om met de grote overgangen in een mensenleven om te gaan hebben alle samenlevingen dan ook rituelen en gebruiken ontwikkeld die de mijlpalen in iemands bestaan kaderen. Ook aan de komst van nieuw leven zijn heel wat gebruiken en rituelen verbonden. Aan de hand van uiteenlopende tradities krijgt de impact van een geboorte vorm en betekenis voor de betrokkenen.

Zwangerschap

In het katholieke Vlaanderen van weleer rustte er een zwaar taboe op zwangerschap en geboorte. Hoewel de Kerk veel kinderen krijgen als een zegen beschouwde en zelfs geregeld bij jonge gezinnen op bezoek ging om te informeren of er geen kindje op komst was, werden de menstruatie en seksueel contact als zondig en onrein beschouwd. Over de zwangerschap zelf werd daarom niet gepraat en als het toch moest gebeuren, werd er uiterst versluierde taal gebruikt. Vrouwen droegen wijde rokken en schorten om de gewichtstoename te verbergen. Vaak werden broertjes en zusjes niet eens op de hoogte gebracht van de komst en de geboorte van een nieuw kindje. Aan dat verbergen van een zwangerschap is pas een eind gekomen in de jaren 1960. Sindsdien pronken veel zwangere vrouwen maar al te graag met hun bolle buikje.

De bevalling

In de eerste helft van de 20ste eeuw bevielen vrouwen meestal gewoon thuis. Er was dan een vroedvrouw die de geboorte begeleidde. Ook buurvrouwen en naaste familieleden schoten de kersverse moeder te hulp bij de geboorte. Daarnaast namen ze vaak de kraamzorg een paar dagen op zich of zorgden ze tijdelijk voor de andere kinderen. Pas vanaf de jaren 1960 vindt bevallen in het ziekenhuis algemeen ingang.

Moederkoek en navelstreng

Bij een bevalling in het ziekenhuis is het heel vaak de kersverse papa die de navelstreng mag doorknippen. Met de moederkoek komen de ouders de dag van vandaag niet meer in contact. Bij thuisbevallingen was dat vroeger anders: toen moesten de ouders de moederkoek zelf verwijderen. Net zoals haren en nagels werd die soms bewaard. Veel mensen begroeven de placenta in de tuin en plantten er een geboorteboom bovenop. Tot aan het begin van de 20ste eeuw besprenkelde de vroedvrouw de moederkoek met zout en wijwater vooraleer hij begraven werd. Zout werd in de volksreligie beschouwd als een belangrijk afweermiddel tegen heksen.

Groot nieuws

Voor de 20ste eeuw werd de dorpsomroeper ingezet om iedereen te laten weten dat er een nieuw kindje geboren was. Rond de eeuwwisseling deed de ooievaar zijn intrede als boodschapper van het goede nieuws, een traditie die in Duitsland al langer bestond. Ooievaar betekent eigenlijk letterlijk ‘geluksdrager’. De vogel zou na de geboorte van een baby de “ziel” overbrengen naar de baby, zodat het kind gelukkig zou worden. Tot op vandaag worden geboortes bekend gemaakt met een houten of opblaasbare ooievaar in de tuin of achter het venster. Een voorloper van het geboortekaartje raakte al in de tweede helft van de 19de eeuw in zwang. Toen was het namelijk de gewoonte om geboortebrieven rond te sturen om het blijde nieuws te melden. Aanvankelijk waren dat gewone brieven; later werden ze versierd met gekleurde randjes en dergelijke meer. Tegen het eind van de eeuw stuurden rijke mensen al echte geboortekaartjes. Op die kaartjes is vaak een afbeelding van een ooievaar of een kool te zien. Het duurde nog tot na 1950 voor iedereen geboortekaartjes zou gaan versturen. Intussen is het de meest verspreide traditie die met de geboorte samenhangt.

Afzondering

Omdat een zwangerschap als een onreine toestand gezien werd, was het een katholieke gewoonte dat vrouwen zich na de geboorte 40 dagen afzonderden met hun baby.* Dat gebeurt niet alleen om de buitenwereld tegen hun onreinheid te beschermen, maar ook om zelf beschermd te zijn tegen alles wat een schadelijke invloed zou kunnen hebben. Later werd de afzonderingsperiode ingekort tot 10 dagen. De moeder mocht in die periode geen seks hebben of bezoek krijgen van menstruerende vrouwen. Vrouwen die pas bevallen waren, mochten ook niet bij elkaar op bezoek. Tijdens deze periode van verplichte rust kwamen buurvrouwen, tantes en grootouders op kraambezoek. Gewoonlijk verscheen toen een borrel op tafel om op de geboorte van het kindje te klinken. Aan de moeder werden luxe etenswaren zoals krentenbrood of peperkoek geschonken, opdat ze snel weer op krachten zou komen.
De afzondering werd beëindigd met een kerkgang. Tot in de jaren 1960 ging de moeder daarvoor met haar kindje achteraan in de kerk staan, tot de priester hen kwam halen en naar het Onze-Lieve-Vrouwaltaar leidde. Met dit ritueel werd niet alleen dank uitgedrukt voor het nieuwe leven, maar werd de vrouw ook gezuiverd van haar zondige toestand.
* Zo is Maria Lichtmis de dag waarop Maria naar de tempel ging voor het zuiveringsritueel. Dit feest vieren we op 2 februari, 40 dagen na de geboorte van Jezus.

Doopsel

Aangezien een zwangere vrouw als onrein werd gezien, werd geloofd dat ook de baby bezoedeld ter wereld kwam. Binnen het katholicisme gold eeuwenlang dat kinderen werden geboren met de erfzonde. Daarom was een zuiveringsritueel nodig en moesten ze zo snel mogelijk gedoopt worden. Ook de hoge kindersterftecijfers zetten aan tot spoed: de kerkleer stelde dat met een snelle doop vermeden kon worden dat het kindje naar het voorgeborchte zou gaan. Baby’s werden daarom nog de dag zelf gedoopt als de bevalling in het ziekenhuis gebeurde en binnen de drie dagen bij een thuisbevalling. Toen het aantal bevallingen in het ziekenhuis na WO II bleef toenemen, werd het kindje steeds vaker daar gedoopt. Dat veel ziekenhuizen een eigen kapel hadden, maakte een en ander ook praktisch makkelijker. De moeder zelf ging gewoonlijk niet mee naar de kerk, omdat zij nog herstelde van de bevalling. De vader werd vergezeld door de doopmeter en de dooppeter.

Water, zalf en licht

Het doopsel is één van de zeven sacramenten. Water, zalf en licht zijn drie belangrijke elementen van een katholieke doopceremonie. Het water is een symbool voor God, de bron van alle leven, en heeft een reinigende en zuiverende functie. Door een beetje wijwater over het hoofdje van het kind te gieten, wordt het ondergedompeld in de geloofstraditie. De olie symboliseert dan weer levenskracht. Het kindje wordt vervuld met die levenskracht door het te zalven. Het derde element, licht, refereert naar de doopkaars. De doopkaars wordt ontstoken aan de paaskaars en is bedoeld als een licht dat het kind de weg zal wijzen in het leven. Hiermee wordt ook de hoop uitgedrukt dat het kind warmte zal brengen en vreugde zal schenken. De doopkaars wordt na de doopceremonie meegegeven aan de ouders. Ze wordt daarna gewoonlijk ontstoken op een speciale verjaardag of op de naamdag van het kindje.

Doopmeter en dooppeter

Het peter- en meterschap zou in de 6de eeuw ingevoerd zijn. De rol van de doopmeter en -peter was een aantal generaties geleden nog van religieuze en morele aard. De meter en peter antwoordden tijdens het doopsel op de doopvragen en getuigden zo van het geloof van het pasgeboren kindje. Daarnaast moesten zij erover waken dat het kind deugdzaam opgevoed werd. Langzamerhand ging men de doopmeter en dooppeter als een extra paar ouders zien, dat voor het kindje kan zorgen als de ouders iets zou overkomen. De peter en meter betalen gewoonlijk de suikerbonen en doen elkaar een grote gevulde bokaal cadeau.
Tijdens de doopceremonie vormen de priester, de doopmeter, de dooppeter en de ouders van de dopeling met hun hand een dakje boven het hoofd van het kind. Met de handoplegging geven ze aan dat ze het kind opnemen in de kring. De peter en meter beloven de ouders om samen met hen goed voor het kind te zorgen en het een bijzondere plaats te geven in hun hart. Zij ondertekenen ook het doopregister, waarin de naam van het gedoopte kindje wordt genoteerd.

Doopkleed en doopvont

Het gebruik van het doopkleedje is iets dat teruggaat op de vroege christenen. Dopen was aanvankelijk een initiatieritueel voor volwassenen. In de begindagen van het Christendom werden gelovigen tijdens de paasnacht bijna naakt gedoopt in de rivier. Na het doopsel trokken zij een wit kleed aan dat ze droegen tot de zondag na Pasen. Zo gaven ze te kennen dat ze de leer van Christus volgden en kon iedereen zien dat ze een nieuw leven begonnen waren. Vanaf de middeleeuwen werden steeds vaker kinderen gedoopt. Zoals hierboven al vermeld werd, vreesde men dat ongedoopte kinderen in het voorgeborchte terecht zouden komen als ze stierven.
In de loop der eeuwen is het doopritueel veel veranderd. Het dopen in een rivier raakte in onbruik en men ging gebruik maken van een doopvont. De persoon die gedoopt werd, werd dan niet meer volledig ondergedompeld, maar overgoten met een beetje gewijd water. Het lange witte doopkleed is iets dat vanaf de 19de eeuw weer opduikt. Heel vaak wordt het binnen een familie doorgegeven en worden verschillende generaties in hetzelfde kleed gedoopt. Ook het wiegje waarin een kindje slaapt, is vaak een erfstuk dat van het ene familielid op het andere overgaat.

Suikerbonen

De boon staat symbool voor nieuw leven. In de volksmond worden suikerbonen ook 'kindjeskak' genoemd. Op de dag van de doop was de baby in een deken gewikkeld dat onderaan was dichtgevouwen zodat men er stiekem suikerbonen kon in stoppen. Als de baby uitgepakt werd, vielen de suikerbonen zogezegd uit de luier van het kindje. De kinderen probeerden dan zoveel mogelijk bonen te rapen, die achteraf wel eerlijk verdeeld werden.

Babyborrel

Tegenwoordig worden minder kindjes gedoopt dan vroeger. Een doopfeest blijft dan ook steeds vaker achterwege. Kersverse mama’s en papa’s geven de dag van vandaag liever een babyborrel. Door het baby’tje tijdens een feest aan vrienden en familieleden voor te stellen, heeft de nieuwe mama vlak na de geboorte wat meer rust omdat er minder kraambezoeken zijn. Geboortefeesten of babyborrels lijken eigenlijk nog het meest op een kruising tussen een huwelijksreceptie en een koffietafel: eerst zijn er hapjes en drankjes en daarna volgt koffie met taart. En de berg cadeautjes die de ouders op zo’n dag krijgen, is natuurlijk ook mooi meegenomen! 

LITERATUUR

Bijsterveld, A.J., Niesten, E., Segers, Y., en I. Steen, Suikerbonen en beschuit met muisjes. Eetgewoonten bij sleutelmomenten in het leven, s.e., s.l., 2005.

Broeck, A.M. Van, ‘Het Antwerpse “Zuid” tijdens het interbellum. Liefde en huwelijk, geboorte en doop, dood en begrafenis’, Volkskunde 94 (1993), nr. 1, p. 165-192.

Germonpré, E., ‘De levenscyclus in Oostduinkerke tijdens het interbellum. Deel 1: Geboorte en doop’, Volkskunde 93 (1992), nr. 4, p. 251-269.

Haesseryn, R., ‘Nieuwe tendensen in de Vlaamse gebruiken omtrent geboorte en doop’, in: A. Roeck, J. Theuwissen, S. Top en S. Van den Eijnde (red.), Liber Amicorum Jozef Van Haver, Vonksteen, Langemark, 1991, p. 185-197.

Indesteege, L., 'Babyparty's', in: Limburgs Volkskundig Genootschap, Lapjesproef voor drie zussen, Concentra Media nv, Hasselt, 2004, p. 202-203.

Lauvrijs, B., Een wereld vol bijgeloof. Van abracadabra tot de zwarte kat, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2007, p. 355-362.

Leijssen, L., Cloet, M., en K. Dobbelaere (red.), Levensrituelen. Geboorte en dood, Universitaire Pers, Leuven, 1996. (KADOC-Studies 20)

Passen, R. Van, ‘Van vrijen en niet-trouwen in het Antwerpse van vroegere eeuwen’, in: A. Roeck, J. Theuwissen, S. Top en S. Van den Eijnde (red.), Liber Amicorum Jozef Van Haver, Vonksteen, Langemark, 1991, p. 87-96.

Steverlynck, C., Als de ooievaar komt… Vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste eeuw, Lannoo, Tielt, 2000.

Strouken, I., Beschuit met muisjes en andere gebruiken rond geboorte, Uitgeverij Kosmos, Antwerpen, 1991.

Strouken, I., Kraamkamer & kandeel. Over geboorte, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2009. (het Alledaagse leven. Tradities & trends in Nederland 8)

Top, S., ‘Taboes en raadgevingen m.b.t. zwangerschap (1920-1950)’, in: A. Roeck, J. Theuwissen, S. Top en S. Van den Eijnde (red.), Liber Amicorum Jozef Van Haver, Vonksteen, Langemark, 1991, p. 417-434.

Van Bockhaven, V., Drempelmomenten. Overgangsrituelen in drie culturen, Huis van Alijn, Gent, 2000.

Veraverbeke, E., Verlinde, A., en I. Van de Velde, Rituelen in beweging, Huis van Alijn, Gent, 2000.