Carnaval

Carnaval

Carnaval bestaat al erg lang. In het begin was het een overgangsfeest. Al in het oude Egypte en bij de Grieken en Romeinen werd het einde van de winter en het begin van de lente uitbundig gevierd. Tijdens de koude en donkere wintermaanden groeide immers niks op de velden en tegen het eind van de winter waren de voedselvoorraden dan ook op. De mensen waren zo blij dat ze in de lente opnieuw het veld konden bewerken, dat ze verkleed door de straten liepen om dat te vieren.

In de kersteningtijd werd carnaval gekoppeld aan de vastenavondviering. Toen de Frankische vorst Clovis zich tot het Christendom bekeerd had, moesten al zijn onderdanen dat ook doen. De katholieke kerk wilde eigenlijk niet dat carnaval nog gevierd werd, maar het feest was zo populair dat de pausen niet anders konden dan het toelaten om geen gelovigen te verliezen. Met carnaval mochten de mensen zich nog een laatste keer goed laten gaan voor de vasten begon en ze 40 dagen lang soberder moesten leven. Ook nu nog wordt het carnavalsweekend in heel wat gemeenten in de dagen die aan aswoensdag vooraf gaan georganiseerd.

Het carnaval zoals we het vandaag de dag vieren, is eigenlijk ontstaan in Keulen in Duitsland. We noemen het “het Rijnlandse carnaval”, naar de regio waar het vandaan komt. In 1823 staken enkele notabelen daar de koppen bij elkaar om de carnavalsviering voor te bereiden. Veel van de elementen die toen aan bod kwamen, bestaan nu nog altijd, zoals bijvoorbeeld de praalwagens en Prins Carnaval.

Vandaag de dag wordt carnaval niet meer met de komst van de lente of met de vastenavondviering verbonden. Wel wordt het feest overal ter wereld gevierd. Het allerbekendste carnaval is dat van Rio de Janeiro in Brazilië. Ook het carnaval van Venetië in Italië lokt ieder jaar heel wat bezoekers. In België is het carnaval van Binche, dat al meer dan 600 jaar bestaat, heel bekend. Vooral de Gilles van Binche trekken heel wat aandacht. Gilles zijn anonieme folkloristische figuren die enkel naar buiten komen met carnaval, meer bepaald op Vette Dinsdag (Mardi Gras). Gilles komen enkel in België voor. Het carnaval van Binche werd in 2003 toegevoegd aan de “Lijst van meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid” van UNESCO.

Hoewel carnaval overal gepaard gaat met een groot feestgedruis, kan de manier waarop men het feest viert soms erg verschillen. Soms zijn er meerdere carnavalsverenigingen in één gemeente, die er allemaal verschillende gebruiken op nahouden.

Maskers

Op carnaval zetten heel veel mensen een masker op. Vroeger deden ze dat om zich te beschermen. Toen geloofden de mensen nog dat op vastenavond de zielen van hun dode voorouders terugkeerden. Later kreeg het masker een andere betekenis: met een masker op konden mensen één keer per jaar dingen doen die eigenlijk niet mogen. Nu dragen carnavalisten vooral maskers voor het plezier.

Kostuums

Behalve de maskers zijn er natuurlijk ook de kostuums. Met carnaval verkleden mensen zich graag in koningen en politici, gangsters, filmsterren, helden, boeren… Ieder jaar zijn er ook mannen die zich als vrouw verkleden en zo carnaval vieren. In de volksmond worden ze de ‘vuile janetten’ genoemd. 

Carnavalsstoet

Ook de carnavalsstoet is natuurlijk ieder jaar iets om naar uit te kijken. De stoeten worden georganiseerd door de carnavalsvereniging(en) uit de gemeente waar de stoet uitrijdt. Pas sinds de 19de eeuw rijden er praalwagens mee. Het duurde tot na Wereldoorlog I voor de praalwagens een vast element van de carnavalsstoet werden. Elk jaar bouwen de carnavalsverengingen nieuwe praalwagens.

Prins Carnaval

In elke gemeente met een carnavalsstoet wordt ook een Prins Carnaval gekozen. Je kunt hem gemakkelijk herkennen aan zijn waardigheidstekenen: de scepter, de mantel en de narrenkap. In veel gemeenten opent de burgemeester het carnavalsweekend met de overhandiging van de symbolische stadssleutel aan Prins Carnaval. Zo wordt Prins Carnaval gedurende het hele carnavalsweekend baas van de stad. Een Prins Carnaval wordt verkozen of aangesteld voor een periode van één jaar. Wel kan hij meer dan één keer verkozen worden. Een prins die drie keer verkozen wordt, mag zichzelf keizer noemen. Meestal wordt Prins Carnaval bijgestaan door een prinses en een hofmaarschalk.

De Raad van 11

 Behalve een Prins Carnaval is er ook de Raad van 11. Samen vormen zij het bestuur van een carnavalsvereniging. Dat betekent dat zij de stoet en allerlei andere carnavalsactiviteiten organiseren. Meestal hebben de leden van de Raad van 11 een ingewikkelde naam zoals commandeur, grootvorst, ridder, vazal, page, hofnar, hofmaarschalk, groothertog of opperlambik.

De dansmariekes

Ook de dansmariekes zijn in de loop der jaren een vast onderdeel van veel carnavalsstoeten geworden. Toen het Rijnlandse carnaval nog maar pas bestond, waren er mannen die zich als lelijke vrouwen verkleedden om zo met de marketensters te spotten. (Marketensters zijn de vrouwen die de soldaten in het leger eten bezorgden.) Nu zijn de dansmariekes een vaste waarde bij veel carnavalsstoeten. Vroeger werden zij nogal vlug beschouwd als stoeipoezen, omdat zij minipakjes droegen om te dansen. Nu voeren zij vooral wervelende shows op.

Het carnavalslied

Iedere carnavalsvereniging heeft een eigen carnavalslied. Meestal gaat het om een kort en grappig liedje in het dialect, waarin de eigen vereniging en de situatie in de gemeente geprezen worden.

Het carnavalsgetal

Het carnavalsgetal is 11. Dit getal wordt ook wel het gekkengetal genoemd en het keert voortdurend terug bij de carnavalisten. Zo vormt de Raad van 11 zoals gezegd het bestuur van een carnavalsvereniging. Maar er is meer! In steeds meer gemeenten wordt de carnavalsperiode geopend op 11 november, om 11u11. Carnavalsverenigingen vieren ook niet hun 5- of 10-jarig bestaan, maar wel hun 11-jarig bestaan en alle veelvouden daarvan. De proclamatie van Prins Carnaval bestaat uit 11 artikelen. 

De carnavalsgroet

De carnavalsgroet is “Alaaf!”. Carnavalisten hebben een heel bijzondere manier om elkaar te groeten die nog stamt uit het prille begin van het Rijnlandse carnaval. Salueren doe je normaal door de top van je rechterhand naar je rechterslaap te brengen. Carnavalisten doen het uiteraard net omgekeerd: zij groeten door de top van hun rechterhand tegen hun linkerslaap te houden. Zo lachten ze eigenlijk een beetje met het overdreven trotse gedrag van de Pruisische soldaten.

De eretekens

Er is nog een tweede carnavalsgebruik dat te maken heeft met het gedrag van het Pruisische leger. De Rijnlanders vonden namelijk dat de soldaten een overdreven drang hadden naar militaire onderscheidingen. Daarom begonnen ze elkaar tijdens de carnavalsperiode voor de grap ook te overladen met medailles.

De popverbranding

In steeds meer gemeenten wordt het carnavalsweekend afgesloten met een popverbranding, waar gewoonlijk wel veel volk op afkomt. Daarvoor wordt een strooien pop gemaakt, die eigenlijk carnaval voorstelt. De pop wordt in brand gestoken als een symbool voor het einde van het carnaval.

Verloren Maandag

Zoals eerder vermeld, wordt het carnavalsweekend in verschillende gemeenten georganiseerd in de dagen die voorafgaan aan Aswoensdag. In verschillende Limburgse gemeenten bijvoorbeeld wordt op de maandag vóór Aswoensdag Verloren Maandag gevierd. Verloren Maandag wordt ingezet met de doop van de carnavalswagens en een wagenreceptie. In de namiddag trekt de Verloren Maandagstoet door de straten. In Sint-Truiden bijvoorbeeld wordt Verloren Maandag afgesloten met een Vesteloovet-bal in de stadsfeestzaal. 

LITERATUUR

http://www.fenvlaanderen.be

Bosmans, W., ‘De rommelpot in de Lage Landen tot in de 19e eeuw’, Volkskunde 78 (1977), nr. 2, p. 142-150.

Deneckere, G. (red.), ‘Carnaval en communitas. Reflecties over de authenciteit, onderdrukking en herleving van een volkse feesttraditie. Themanummer’, Oost-Vlaamse Zanten 74 (2000), nr. 3, p. 239-342.

Devisch, R., ‘Carnaval als algemeen menselijk verschijnsel. Een semantisch antropologische benadering’, Volkskunde 79 (1978), nr. 1, p. 4-18.

Glotz, S., ‘Carnaval et les légendes explicatives’, Volkskunde 79 (1978), nr. 1, p. 19-29.

Glotz, S., ‘Le carnaval vu par un fokloriste’, Volkskunde 79 (1978), nr. 1, p. 30-43. 

Gommans, G., en T. Fransen, Alaaf! Carnaval in Nederland en België, Het Spectrum, Antwerpen, 1984.

Haver, J. Van, Roeck, A. en J. Theuwissen, ‘Carnaval in Vlaanderen’, Volkskunde 90 (1989), nr. 4, p. 281-304.

Haver, J. Van, ‘Situering van carnaval in het volksleven’, Volkskunde 79 (1978), nr. 1, p. 44-53. 

Indesteege, L., 'Carnavalwagens', in: Limburgs Volkskundig Genootschap, Lapjesproef voor drie zussen, Concentra Media nv, Hasselt, 2004, p. 191-192.

Indesteege, L., 'Het Hasseltse carnaval', in: Limburgs Volkskundig Genootschap, Lapjesproef voor drie zussen, Concentra Media nv, Hasselt, 2004, p. 188-190.

Jansen-Rompen, K., Vastelavond & verkleedpartijen. Over carnaval, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2009. (het Alledaagse leven. Tradities & trends in Nederland 7)

Lamarcq, D., ‘Confetti’, Oost-Vlaamse Zanten 73 (1998), nr. 1, p. 69-71.

Lauvrijs, B., Carnaval. Een beknopt en globaal overzicht, s. n., Diest, 1996.

Lauvrijs, B., Een jaar vol feesten. Oosprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2004, p. 83-110.

Linden, R. Van der, De Vos, G., Van Butsele, N., en P. Van Butsele, Bommels, Renaix - Philatélique - Ronse / Lions Club Renaix - Ronse, s.l., 1992.

Roeck, A., 'Carnaval in Vlaanderen', Volkskunde 90 (1989), nr. 4, p. 281-304.

Sermon, A., Carnaval: geschiedenis van het carnaval van Keizer Karel tot Eedje Anseele, Stichting Mens en Kultuur, Gent, 2001.

Verstappen, J., Carnaval in België, Uitgeverij Orion, Brugge, 1978.

Vuyst, J. De, 'Achter het masker van carnaval', Ons Heem 57 (2004), nr. 4, p. 21-41