Cantus

Cantus

Het inrichten van een cantus is één van de oudste tradities die verbonden zijn aan het studentenleven. Studentenverenigingen, de uiteindelijke organisatoren van cantussen, zijn reeds in de late middeleeuwen ontstaan. Toen al bestond de behoefte om contact op te zoeken met studenten die eenzelfde studierichting volgden of die afkomstig waren uit dezelfde streek. Tijdens dergelijke samenkomsten werd er nogal dikwijls voor amusement gezorgd. Zo werd er bijvoorbeeld ook regelmatig gezongen. Enkele eeuwen later groeiden deze spontane zangavonden uit tot georganiseerde en gestructureerde cantussen.

Inhoudelijk kunnen cantussen nogal eens van elkaar verschillen per vereniging en per gelegenheid. Hoe dan ook blijft de bedoeling dezelfde: het gezamenlijk zingen ter bevordering van de broederschap. Dankzij zulke bijeenkomsten krijgen tal van studenten de kans om elkaar beter te leren kennen. Er wordt natuurlijk niet enkel gezongen, maar ook op tijd en stond gedronken. Gewoonlijk wordt er tijdens een cantus bier gedronken, maar in de meeste gevallen is het ook mogelijk om water te drinken. Het zang- en drankfestijn verloopt steevast volgens bepaalde regels.

De corona

De corona of clubtafel bestaat uit verschillende tafels die in een bepaalde vorm staan opgesteld: een U-vorm, een rechthoek of een hark. Aan de bestuurstafel zit de praeses, het praesidium, de leden van het bestuur en de gasten. De leden van de corona, uitgezonderd de praeses, dragen eventueel hun labojas en dragen altijd hun faculteitspet. Wanneer er wordt gedronken, wordt er meestal geproost op de corona.

De praeses of senior

De praeses of senior voert het bevel over de corona en leidt de cantus in goede banen.  Tijdens de cantus moet te allen tijde naar de praeses geluisterd worden. Hij of zij heeft bovendien altijd gelijk en mag dus nooit worden tegengesproken. De praeses draagt eventueel zijn of haar toga en altijd zijn of haar praeseslint. De praeses is bovendien in het bezit van een hamer waarmee op de tafel kan worden geslagen om de aandacht te trekken vooraleer iets wordt gezegd of om commando’s kracht bij te zetten.

De schachtentemmer en de schachten

De schachtentemmer of schachtenmeester voert het bevel over de schachten of groentjes. Hij of zij houdt hen goed in de gaten en legt hen de regels en de gebruiken uit die verbonden zijn aan een cantus. Tijdens een cantus krijgen de schachten doorgaans verschillende opdrachten, zoals het op verschillende manieren herhalen van de pagina van het lied dat zal worden ingezet.

De cantor

De cantor is degene die de liederen inzet nadat hij of zij daarvoor de toestemming heeft gekregen van de praeses. Pas wanneer de cantor een lied heeft ingezet, geeft de praeses de aanwezigen de toestemming  om mee te zingen.

De codex

De codex is het liederenboek dat wordt gebruikt tijdens cantussen. Vooraleer een lied wordt gezongen, wordt meegedeeld op welke pagina van de codex de aanwezigen het betreffende lied kunnen terugvinden. Traditioneel lenen de meeste studenten hun codex aan elkaar uit zodat ze er een boodschap in kunnen achterlaten. Op deze manier hebben de studenten een mooie herinnering aan hun studententijd en aan de bijhorende cantussen.

Het verloop van een cantus

Zowat iedere cantus wordt geopend met het zingen van het Io Vivat. Ook telkens wanneer een belangrijk persoon de corona vervoegt, wordt het Io Vivat ingezet. Na dit openingslied worden het Gaudeamus Igitur en vervolgens het clublied gezongen. Deze drie liederen worden met het nodige respect gezongen: iedereen staat rechtop en velen houden hun rechterhand op hun rechterborst. Hierna geeft de cantor telkens aan welk lied er zal worden gezongen. De praeses beslist op zijn of haar beurt wanneer en hoeveel er wordt gedronken. Tussendoor wordt nooit geapplaudisseerd. Wel wordt er als teken van appreciatie met de kneukels op de tafels geslagen. Tijdens de cantus wordt er bovendien altijd de tijd genomen voor een Salamander. Een Salamander is een heildronk ter ere van iemand of iets. De Salamander wordt steevast afgesloten met een ad fundum. Omdat er veel wordt gedronken tijdens een cantus is het noodzakelijk om af en toe een pauze in te lassen zodat iedereen naar het toilet kan gaan. Deze pauze wordt de tempus genoemd. Wanneer iemand niet meer kan wachten tot de eerstvolgende tempus, dient hij of zij de toestemming aan de praeses te vragen om de tafel te verlaten. Wanneer de tijd is aangebroken om de cantus te beëindigen, wordt het slotlied ingezet. Dan worden de lichten gedoofd en de kaarsen aangestoken. De praeses sluit de cantus af en alle vaten worden nog leeggedronken.

Mogelijke straffen

Aangezien de meeste cantussen heel gestructureerd verlopen en er bepaalde regels dienen te worden gerespecteerd door de aanwezigen, kunnen er straffen worden opgelegd aan degenen die zich niet gedragen of aan degenen die fouten maken bij het zingen. De mogelijke straffen variëren per vereniging, maar er zijn een viertal straffen die dikwijls worden opgelegd. Een eerste mogelijke straf is het pro-poena drinken. Bij het pro-poena drinken moet de gestrafte een opgelegde hoeveelheid  drinken. Een Dalton betekent bijvoorbeeld dat de gestrafte een volle, een driekwart gevulde, een halve en een kwart gevulde pint onmiddellijk na elkaar moet opdrinken. Een tweede straf is iemand (tijdelijk) bierimpotent verklaren. De gestrafte mag dan (tijdelijk) niet meer meedrinken. Deze straf wordt vooral opgelegd wanneer iemand zodanig veel heeft gedronken dat hij of zij het verdere goede verloop van de cantus kan verstoren. Een derde mogelijke straf is het ad pistum roepen. Een vierde straf is het ex-vliegen. Dit betekent dat de persoon de cantus dient te verlaten.

LITERATUUR 

http://fkserv.ugent.be/dentalia/files/cantusreglement.pdf

http://igweb.vub.ac.be/perskring/new/Folklore/Cantusregels.php

Braekman, W.L., ‘Liederen uit Leuvense studentenmiddens van de late zeventiende eeuw’, Volkskunde 93 (1992), nr. 3, p. 167-188.